Slagader lijden
Slagadervernauwing in de benen (Claudicatio / Kritische Lidmaat Ischemie)
Bij een vernauwing in de slagaders van het been daalt de bloedtoevoer naar vooral de beenspieren. Tijdens inspanningen ontstaat er zo een tekort aan zuurstof en voedingsstoffen, wat spierkrampen veroorzaakt. Een typische klacht is een steeds terugkerende pijn na een vaste afstand wandelen (Claudicatio - etalageziekte).
In een verder gevorderd stadium daalt ook de bloedtoevoer naar huid, onderhuid en zenuwen. Hierdoor wordt ook pijn ervaren in rust en zullen aanwezige wondjes minder of niet genezen (Kritische Lidmaat Ischemie). Indien dergelijke vernauwing niet behandeld wordt, kan zelfs amputatie nodig worden, daarom is een goede diagnose en een adequate behandeling in een vroeg stadium van de aandoening noodzakelijk.

i. Diagnose
De arts stelt een diagnose met een vraaggesprek waarin hij nagaat waar de pijn zich voordoet en hoe lang het duurt voor de klachten optreden. Aan de hand van deze informatie, kan de dokter uitmaken waar en in hoeverre de slagader precies is vernauwd. Op basis van het klachtenpatroon onderscheidt de arts 3 grote groepen:
· geen of niet-beperkende klachten
· claudicatio = beperkte wandelafstand door pijn
· kritische lidmaat ischemie (CLI) = rustpijn of niet-helende wonden
Verder meet de arts het verschil tussen de bloeddruk in de arm en die in het been. Dit is de enkel-arm-index (EAI) en geeft aan of de slagaders veel of weinig vernauwd zijn. Indien er geen verschil in bloeddruk kan gemeten worden is de bloedstroom door het been normaal.
Er wordt ook een duplexonderzoek uitgevoerd. Hiermee wordt met een meettoestel op de huid gemeten hoe snel het bloed stroomt door de slagader. De snelheidsverandering geeft nauwkeurig de locatie en de ernst van de vernauwing weer. Zo kan de arts zich op een niet-invasieve manier een nauwkeurig beeld vormen van de situatie.

Indien een vernauwing is vastgesteld wordt een MR-scan (Magnetische Resonantie) uitgevoerd. Dit niet-invasief onderzoek toont het netwerk van slagaders en de locatie en ernst van de letsels.

Op basis van deze onderzoeken wordt een behandelingsplan opgesteld.


MR-scan

ii. Behandeling
Indien de klachten miniem zijn en geen invloed hebben op de levenskwaliteit wordt bloedverdunnende medicatie (aspirine) voorgeschreven om de bloedstroom te bevorderen en wordt er advies gegeven om – indien nodig – de levensstijl aan te passen en vooral om veel te wandelen.

Indien wandelafstand verkleint en de levenskwaliteit daalt, wordt de vernauwing of blokkering operatief behandeld. Er zijn 2 manieren om de slagadervernauwingen te behandelen: de endovasculaire ingreep en de klassieke operatie.

Endovasculaire stentplaatsing

Chirurgische bypassoperatie
Bij de minimaal-invasieve endovasculaire ingreep prikt de vaatarts de slagader aan ter hoogte van de lies. Dit gebeurt onder lokale verdoving. Zo krijgt de arts toegang tot het slagadernetwerk en kan hij met fijne draden en kleine flexibele buisjes zich een weg banen door de bloedvaten tot aan de plaats van de vernauwing. Eens ter plaatse kan de vernauwing met verschillende technieken opengemaakt worden. In de meeste gevallen wordt de slagader geopend door een ballonnetje op te blazen (dilatatie - PTA) en wordt bijkomend meestal één of meerdere stents (=metalen veertje) geplaatst om de slagader blijvend open te houden. Bij de endovasculaire ingreep kan het hospitaal verlaten worden de dag na de ingreep en is geen specifieke revalidatie nodig.

Bij de klassieke operatie maakt de chirurg eerst een insnijding in de lengte over een groot deel van de getroffen slagader. Daarna wordt een overbrugging (eigen ader of kunsstof) geplaatst die het stuk waar de vernauwing zich bevindt overbrugt. Dit is een relatief zware ingreep die 10 dagen hospitalisatie en 8 weken revalidatie vraagt.

iii. Nazorg
In de eerste weken na de ingreep moet vermeden worden dat het hersteld bloedvat opnieuw verstopt door klontervorming (thrombose), hiervoor worden in die periode bloedverdunners voorgeschreven.

Daarnaast moeten de risicofactoren gecorrigeerd worden om te vermijden dat het behandelde bloedvat na verloop van tijd opnieuw dichtslibt.

Aangezien het belangrijk is dat de medicatie strikt wordt ingenomen en dat de levensstijl ook na eventuele behandeling wordt geoptimaliseerd, dient de patiënt regelmatig op controle te komen bij de vaatchirurg (na 1, 6 en 12 maanden, nadien jaarlijks).